
معجم المصطلحات
Begrippenlijst
Fiqh-begrippen in het Nederlands en Arabisch uitgelegd
Kennisbank · Geschiedenis · Tijdlijn · Methodologie · Geleerden · Boeken · Begrippen · Veelgestelde vragen
Op deze site leggen wij eerst uit wat een begrip betekent. Hieronder vindt u de belangrijkste termen uit de fiqh, kort uitgelegd zoals ze binnen de Maliki-rechtsschool worden gebruikt.
Grondbegrippen
Fiqh (الفقه)
Letterlijk: diep begrip. Het islamitisch recht in brede zin: de kennis van de praktische regels van de religie, afgeleid uit de bronnen.
Madhhab (المذهب)
Rechtsschool: een samenhangende methode om regels uit de bronnen af te leiden, met een eigen traditie van geleerden en werken. De Maliki-madhhab is genoemd naar imam Malik ibn Anas.
Usul al-fiqh (أصول الفقه)
De grondslagen van de fiqh: de leer van de bronnen en de methoden waarmee regels worden afgeleid.
Fatwa (الفتوى)
Een juridisch-religieus antwoord van een bevoegde geleerde (mufti) op een concrete vraag.
Ijtihad (الاجتهاد)
De zelfstandige inspanning van een daartoe bevoegde geleerde om een regel uit de bronnen af te leiden.
Taqlid (التقليد)
Het volgen van een erkende rechtsschool of geleerde door wie zelf geen ijtihad kan verrichten.
Al-mashhur (المشهور)
De bekendste en sterkste opvatting binnen de Maliki-school, waarop in de regel geoordeeld en gefatwaad wordt.
Bronnen van de Maliki-school
Koran (القرآن)
Het woord van God, de eerste bron van alle regels.
Soenna (السنة)
De woorden, daden en goedkeuringen van de Profeet, vrede zij met hem.
Ijma’ (الإجماع)
De consensus van de geleerden van de gemeenschap over een regel.
‘Amal ahl al-Madina (عمل أهل المدينة)
De overgeleverde praktijk van de gemeenschap van Medina. Een kenmerkende bron van de Maliki-school, omdat Medina de stad van de Profeet en zijn metgezellen was.
Qiyas (القياس)
Analogie: een nieuwe situatie krijgt de regel van een bekende situatie op grond van een gedeelde reden (‘illa).
Maslaha mursala (المصلحة المرسلة)
Het algemeen belang dat niet uitdrukkelijk in de teksten wordt genoemd, maar wel aansluit bij de doelen van de shari’a.
Sadd al-dhara’i (سد الذرائع)
Het afsluiten van middelen die vaak tot iets verbodens leiden. Deze bron wordt in de Maliki-school sterk gebruikt.
‘Urf (العرف)
Het gangbare gebruik in een samenleving. Waar de teksten ruimte laten, kan het gebruik bepalen wat een regel in de praktijk inhoudt.
De vijf categorieën van handelingen
Fard of wajib (الفرض / الواجب)
Verplicht: wie het doet wordt beloond, wie het nalaat zonder geldige reden begaat een zonde.
Soenna (als categorie) (السنة)
Een sterk aanbevolen handeling die de Profeet regelmatig verrichtte. In de Maliki-school wordt een sterk benadrukte soenna ook soenna mu’akkada genoemd.
Mandub of mustahabb (المندوب / المستحب)
Aanbevolen: wie het doet wordt beloond, wie het nalaat zondigt niet. In de Maliki-terminologie valt hieronder ook de fadila.
Mubah (المباح)
Toegestaan: het doen en nalaten zijn gelijkwaardig.
Makruh (المكروه)
Afgeraden: wie het nalaat wordt beloond, wie het doet zondigt niet.
Haram (الحرام)
Verboden: wie het doet begaat een zonde, wie het nalaat uit gehoorzaamheid wordt beloond.
Halal (الحلال)
Toegestaan, in tegenstelling tot haram. Wordt vooral gebruikt voor voeding en financiële zaken.
Aanbidding
Niyya (النية)
De intentie in het hart, voorwaarde voor de geldigheid van aanbiddingen.
Tahara (الطهارة)
Ritueel rein zijn: de voorwaarde voor onder meer het gebed.
Wudu’ (الوضوء)
De kleine rituele wassing voor het gebed.
Ghusl (الغسل)
De grote rituele wassing van het hele lichaam, onder meer na menstruatie en geslachtsgemeenschap.
Tayammum (التيمم)
De droge reiniging met zuivere aarde als er geen water is of het niet gebruikt kan worden.
Salah (الصلاة)
Het rituele gebed, vijf keer per dag verplicht.
Zakat (الزكاة)
De verplichte jaarlijkse afdracht over vermogen boven een minimumgrens (nisab).
Sawm (الصوم)
Het vasten, verplicht in de maand Ramadan.
Familie en nalatenschap
Nikah (النكاح)
Het islamitisch huwelijk. In de Maliki-school zijn onder meer een walii (voogd van de bruid), getuigen en een bruidsgave (mahr) vereist.
Walii (الولي)
De voogd van de bruid bij het sluiten van het huwelijk.
Mahr (sadaq) (المهر / الصداق)
De bruidsgave van de man aan de vrouw; zij is daarvan de eigenaar.
Talaq (الطلاق)
Verstoting of echtscheiding door de man, met eigen voorwaarden en gevolgen.
‘Idda (العدة)
De wachttijd van een vrouw na echtscheiding of het overlijden van haar man.
Fara’id (الفرائض)
Het islamitisch erfrecht: de vaste aandelen van de erfgenamen.
Wasiyya (الوصية)
Het testament; mag niet meer dan een derde van de nalatenschap betreffen en niet ten gunste zijn van een wettelijke erfgenaam.
Handel en financiën
Riba (الربا)
Rente en woeker: een verboden vermeerdering bij leningen en bepaalde ruiltransacties.
Gharar (الغرر)
Overmatige onzekerheid in een overeenkomst, waardoor een transactie ongeldig kan zijn.
Mist u een begrip? Stel uw vraag via het vraagformulier, dan vullen wij deze lijst aan.
